In Noord-Nederland komen geregeld geïnduceerde bevingen voor. Veelgestelde vragen over aardbevingen door gaswinning.
Meldingen ontvangen voor aardbevingen in Nederland? Download de KNMI-app voor iOS of Android.
Sinds de jaren zestig wint Nederland aardgas uit de bodem van Noord-Nederland. Gaswinning is verantwoordelijk voor nagenoeg alle aardbevingen in het noordelijk deel van Nederland. De eerste aardbeving vond plaats vlakbij Assen op 26 december 1986. Het gas wordt gewonnen uit een laag zandsteen op een diepte van 3 kilometer. Door de gaswinning klinkt de zandsteenlaag in. Langs breuken in deze laag ontstaat er een spanningsverschil, wat op een bepaald moment leidt tot een plotselinge verschuiving: een aardbeving.
De aardbevingen vinden plaats in de directe omgeving van de gasreservoirs. Gasreservoirs in Nederland bevinden zich onder andere in Groningen, Drenthe, Friesland en in Noord-Holland zoals bij Bergen en Castricum. De grootste is het Groningen-gasveld.
Het aantal aardbevingen verschilt per jaar, het hoogst aantal bevingen met een magnitude groter dan 1,5 is geregistreerd in 2013 (30). In de afgelopen jaren is er een daling in het totaal aantal aardbevingen in Groningen zichtbaar. Hoewel het het aantal aardbevingen de laatste jaren afneemt blijft er een kans bestaan op zware bevingen. Deze kansen nemen af maar blijven aanwezig, zoals bleek in 2025 bij Zeerijp (provincie Groningen) op 14 november. Met een magnitude van 3,4 was dit de op twee na zwaarste aardbeving in het Groningenveld. Bekijk hiervoor ook het jaaroverzicht aardbevingen 2025.
Het KNMI is het onderzoeksinstituut op het gebied van seismologie en akoestiek en heeft de wettelijke taak om de Nederlandse bevolking voor te lichten over de seismische activiteit in en rondom Nederland. Het KNMI verricht metingen en doet onderzoek naar sterkte, impact en oorzaak van trillingen in de ondergrond en atmosfeer. Om zo de samenleving te informeren over de effecten van aardbevingen, explosies en vulkaanuitbarstingen. Bekijk de infographic 'Als de aarde trilt'.
Vanaf 2014-2015 is het KNMI-meetnetwerk aanzienlijk uitgebreid met honderden extra geofoons in de ondergrond en tientallen extra versnellingsmeters aan het oppervlak. Hiermee is het netwerk dicht genoeg geworden om ook alle bevingen tussen een magnitude van 1,0 en 1,5 waar te nemen en een aanzienlijk deel van de bevingen tussen een magnitude van 0,5 en 1,0. Vóór 2015 konden veel van de bevingen met een magnitude kleiner dan 1,5 niet opgemerkt worden. Soms worden er ook kleinere bevingen gemeten als deze dichtbij een station optreden.
Door de grote verschillen in de ondergrond en het geringe aantal metingen is het uitermate lastig om de diepte van de bevingen met zekerheid vast te stellen. Metingen in het reservoir geven aan dat de bevingen plaatsvinden in of nabij het reservoir. Daarom wordt de diepte vastgezet op de gemiddelde reservoirdiepte (3 kilometer). Bekijk de meest recente aardbevingen. Voor aardbevingen is 3 kilometer ondiep. De meeste natuurlijke aardbevingen vinden plaats op 20 tot 100 kilometer diepte.
Voor het meten van de kracht van aardbevingen zijn diverse schalen opgesteld. Amplitudes van gemeten grondbeweging aan het aardoppervlak worden omgerekend naar een maat van de kracht van de aardbeving. Dit is de magnitude van een aardbeving. Het berekenen van de magnitude kan op verschillende manieren gedaan worden, bekijk de uitleg over magnitudeschalen. Het KNMI gebruikt de lokale magnitudeschaal waarvoor de maximale amplitude van schuifgolf wordt gebruikt.
Magnitude geeft de sterkte van een aardbeving aan, intensiteit is een maat voor het effect. De grondversnelling gemeten aan het oppervlak geeft dit weer. Waar magnitude één getal is, varieert de grondversnelling en wordt weergegeven in zogenaamde shakemaps. Een ondiepe aardbeving heeft meer effect aan het aardoppervlak dan een diepe aardbeving van dezelfde sterkte. Ook de ondergrond speelt een rol. Klei- en veengronden leiden tot versterking van het effect en dus hogere grondversnellingen.
Aardbevingen in Groningen zijn ondiep (3 kilometer) en de ondergrond is slap (klei en veen) hierdoor zijn de effecten aan het aardoppervlak groot.
De seismometers die verspreid over het land staan opgesteld meten continu trillingen en staan in directe verbinding met het het KNMI. Als er een beving met een magnitude groter dan 2,0 plaatsvindt krijgt de weerkamer van het KNMI (24/7 bemenst) een melding van het automatisch detectiesysteem. De veiligheidsmeteoroloog op de weerkamer belt direct met de seismoloog. Als de automatische detectie eruitziet als een aardbeving wordt deze op de KNMI-website gepubliceerd door de seismoloog als ‘automatisch’. Het kan gebeuren dat, na analyse van een seismoloog, de oplossing iets wijzigt ten opzichte van de automatische oplossing omdat bijvoorbeeld metingen met veel ruis verwijderd worden. Na review krijgt de beving de status 'reviewed'. Aardbevingen met een kleinere magnitude dan 2,0 worden ook door een seismoloog geanalyseerd en als ‘reviewed’ gepubliceerd op de website.
Om tot een betrouwbare waarde van de magnitude te komen, wordt het gemiddelde over meerdere stations bepaald. Het kan dus voorkomen dat er stations zijn met een magnitude die lager of hoger is dan het gemiddelde. Een aardbeving straalt niet in alle richtingen evenveel energie uit, dat is een van de redenen dat de magnitude per station verschilt. Daarnaast kunnen verschillen in de ondergrond nabij het station tot verschillende waarden leiden. Hierin volgt het KNMI de rest van de wereld. Bij aardbevingen in het buitenland kan de magnitude ook per station afwijken van de uiteindelijk gemiddelde magnitude (inherent aan 'gemiddelde bepaling').
Deze magnitude is zo gekozen dat het aantal bevingen sinds 1991 met elkaar vergeleken kunnen worden. Aanvankelijk bestond het meetnetwerk uit veel minder sensoren dan nu. Sinds 2015 is het meetnetwerk aanzienlijk uitgebreid, met honderden geofoons in boorgaten en versnellingsmeters aan het oppervlak. Hiermee is het netwerk dicht genoeg geworden om ook alle bevingen tussen een magnitude van 1,0 en 1,5 waar te nemen en een aanzienlijk deel van de bevingen tussen een magnitude van 0,5 en 1,0. Voor 2015 konden veel van de bevingen met een magnitude lager dan 1,5 niet gemeten worden. Deze gegevens worden geregistreerd en zijn beschikbaar via het dataportaal van het KNMI. Een aardbeving kan vaak gevoeld worden vanaf magnitude 1,5 - 2,0.
Er moet eerst beoordeeld worden of de gemeten trilling van een aardbeving komt (figuur 3). Als dat zo is, dan analyseert de seismoloog de aardbeving. Maar soms rijdt er toevallig ergens een vrachtwagen langs, zijn ze aan het heien of er is onweer. Deze trillingen worden ook gemeten, maar horen niet bij een aardbeving (figuur 4).
Daarnaast kan uit de gemeten signalen geinduceerde en natuurlijke bevingen worden afgelezen. Waarbij geinduceerde bevingen kortdurender zijn dan natuurlijke bevingen.
De aardbevingen zullen stoppen als de gaswinning stopt alleen weten we niet exact op welke termijn. Het aantal bevingen zal afnemen en het aantal zware bevingen ook. Maar dat kan nog vele jaren duren en ook zwaardere bevingen blijven mogelijk.
Voor aardbevingen in Nederland op 3 kilometer diepte zien we over het algemeen dat dit vanaf magnitude 1,5 voelbaar is. Zeker vanaf magnitude 2, dan krijgen we heel veel meldingen. In eerste instantie voelt het als een zware vrachtauto die door de straat rijdt. Wordt de beving zwaarder, dan lijkt het wel of die vrachtauto tegen je huis aan rijdt.